Van OS naar SO?

winnaz

Met Thijs valt altijd wel te lachen. Behalve als er rook uit zijn machines komt. Nog voordat de eerste chips in een knisperend zakje zijn verpakt. Doorgebrande onderdelen kosten tijd om te vervangen. Tijd die hij eigenlijk niet heeft. Elke chipsloze dag brengt wel kosten, maar geen inkomsten. De zakelijke rekening kleurt bijna rood.

Thijs wil samen met zijn Rwandese zakenpartner chips gaan maken in Musanze, de aardappelhoofdstad van Oost-Afrika. Hun aanpak: met sociale en duurzame elementen een voorsprong nemen op de concurrentie. Aardappelboeren krijgen bijvoorbeeld twee keer zoveel geld van Thijs voor een kilo goede aardappelen, als op de markt. “Zo ontmoedigen we concurrenten en hebben we minder afval.” Thijs verwacht voor zijn prijs zulke goede aardappelen, dat hij maar tien procent hoeft weg te gooien. Anders gaat hij naar een andere boer. “Andere fabrikanten gooien tot wel 60 procent weg.”

Is sociaal ondernemen de volgende stap?

Sociaal en duurzaam; Thijs, 28 jaar en afgestudeerd als ontwikkelingseconoom,  wil sociaal ondernemen. Is dat de volgende stap na ontwikkelingssamenwerking?

Kars (29, met een master in internationale betrekkingen) gelooft van wel. “Al blijft hulp altijd nodig.” Hij liep stage bij de Nederlandse ambassade in Rwanda. Daar was meer aandacht voor het stimuleren van het MKB dan voor ontwikkelingswerk. Kars raakte geïnspireerd. Hij laat Rwandese kleermakers blazers, pantalons, T-shirts en stropdassen maken van diepgekleurde Afrikaanse stoffen uit Nigeria en Ivoorkust. Een blazer verkoopt hij in Nederland en verschillende Europese hoofdsteden voor 289 euro.

Tien initiatieven, drie ondernemers

De afgelopen twee maanden hebben we tien Nederlandse particuliere initiatieven bezocht in Oost-Afrika. Omdat we willen laten zien wie deze mensen zijn, wat ze doen en wat dat teweeg brengt. Drie van de tien initiatieven zijn sociale ondernemingen. Thijs en Kars worden vergezeld door Chantal, die wasbaar maandverband aan de vrouw wil brengen in West-Kenia.

Het grote verschil

We zien één enorm verschil. Veel  initiatieven die kleinschalig ontwikkelingswerk doen, moeten veel moeite doen om aan geld te komen (al zijn er slimmerikken en geluksvogels*). Terwijl geld in de begindagen eigenlijk nooit een probleem was. Zoals Anouk (24, sociaal werker en oprichter van Nnina Olugero in Kampala) het formuleert: “Eerst had ik mijn eigen netwerkje, maar dat is nu wel uitgeput. En terecht.”

* Ton (67) werkte voor de Fiod. Hij zat achter mensen aan met geld op buitenlandse rekeningen. Na zijn pensioen ging hij mensen met buitenlands geld adviseren over ‘inkeren’. Veel van deze kapitaalkrachtigen steunen zijn project: de renovatie van een school in Kampala. Leo (69) kreeg een fonds als afscheidscadeau na zijn vertrek als directeur van een middelbare school op Texel. Nog elk jaar houdt de school een inzamelingsactie om het fonds aan te vullen. En dan is er ook nog een gulle, anonieme donor.

Bij sociale ondernemers is het (als het goed is) andersom. Kars hoopt zichzelf na twee jaar een eerste salaris uit te kunnen betalen. Als zijn machines gaan draaien, verwacht Thijs dat hij het van familie en vrienden geleende geld terug kan geven. En als vrouwen in ruraal Kenia massaal aan het wasbaar maandverband gaan, heeft Chantal (44, voorheen werkzaam bij ‘mooie merken’) geen sponsoren meer nodig. “We need to be self sustainable. We’ve experienced donor fatigue before”, zegt een van haar Keniaanse bestuursleden wijselijk.

Boerderij tegen donorvermoeidheid

Sociaal ondernemen in ‘het Zuiden’ is niet zonder uitdagingen, maar dat is ontwikkelingssamenwerking ook niet. Veel particuliere initiatieven proberen donorvermoeidheid (deels) op te vangen met een boerderij. Zelden levert dat ook echt wat op. “We draaien nauwelijks break-even”, zegt Marieke (72) die hele dagen besteedt aan het doorrekenen van kosten (zaaigoed, mest, irrigatie, arbeid) en opbrengsten (meestal net genoeg om de 24 kinderen in het Upendo Kanshuis te voeden).

“Er is hier geen corruptie. Alleen heel veel regels.”

Ondernemers wordt het steeds makkelijker gemaakt. Je bedrijf registreren kost in Burundi en Rwanda minder dan 24 uur. In Rwanda strijdt de overheid bovendien tegen corruptie. “Er is hier geen corruptie”, zegt Thijs zelfs. “Alleen heel veel regels. Waar iedereen zich aan houdt.”De Nederlandse ambassade in Rwanda helpt ondernemers te starten. En de Rwandese immigratiedienst geeft je graag een werkvisum, als je minstens 100.000 euro komt investeren.

Hulp blijft nodig

Toch heeft Kars gelijk. Hulp blijft nodig. Voor de kwaliteit die nodig is om zijn Afriek-blazers in Nederland te kunnen verkopen, kan hij alleen met de beste kleermakers werken. Dat zijn dus niet de mannetjes achter vooroorlogse naaimachines op het platteland die nauwelijks meer verdienen dan een euro per dag. Ook Thijs werkt maar met een beperkt aantal kleine, arme boeren. Grote boeren bieden hem veel meer zekerheid.

SO (sociaal ondernemen) in plaats van OS (ontwikkelingssamenwerking), dat kan niet. Maar met slinkende potjes en voortdurend de vraag op tafel hoe ontwikkelingssamenwerking duurzamer kan, is sociaal ondernemen zeker iets om te onderzoeken. De start is misschien lastiger (waar vind je kapitaal?), maar het perspectief is veel aantrekkelijker: er wordt geld verdiend, in plaats van dat je er steeds harder naar moet zoeken.

2 thoughts on “Van OS naar SO?

  1. Pingback: Bij wie zijn we al geweest? | Met Eigen Ogen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>